Bijdrage Slavenschepen aan Slavenhandel

Slavenschepen hebben een wezenlijke bijdrage geleverd aan het voortbestaan van de slavenhandel. Een handel die alleen maar lucratieve winsten heeft opgebracht voor de beschaafde westerse wereld. Zonder dergelijke schepen zou er nooit sprake zijn geweest van slavernij over de gehele wereld. Dit zei historicus Leo Balai tijdens zijn gastcollege op 10 april 2013 aan studenten internetjournalistiek van de Academie voor Hoger Kunst en Cultuuron-derwijs. Het college ging over zijn proefschrift ‘Het Slavenschip Leusden’.

gretl-boek-leusden

Proefschrift van Leo Balai

 Balai vindt het  opmerkelijk, dat er niet veel werd vast-gelegd over deze vervoermiddelen. Te meer omdat de Leusden een  belangrijke rol heeft gespeeld in de geschiedenis van de West Indische Compagnie (WIC). De Leusden was één van de laatste schepen van de WIC en was uitsluitend bestemd voor het transport van Afrikaanse gevangenen  via de trans – Atlantische route van Afrika naar Zuid-Amerika. In de periode 1720 – 1738 heeft het slavenschip Leusden in totaal 10 tochten gemaakt waarvan de 10de tocht de meest tragische  tocht werd in de Nederlandse scheepvaart geschiede-nis. Het schip liep op een zandbank vast, zonk en onge-veer 700 Afrikanen verdronken omdat de luiken werden dichtgetimmerd om ontsnappen onmogelijk te maken, aldus Balai.

Bemanning en Werving voor Slavenschepen WIC

Volgens hoofdstuk 3 van het proefschrift van Balai kunnen de bemanningsleden op de schepen worden onderverdeeld  in drie categorieën: officieren, onderofficieren en lager scheepsvolk (matrozen). De officieren werden  geworven via advertenties, de sollicitaties van de onderofficieren gingen via de WIC. De werving van de matrozen ging niet gemakkelijk, omdat de functie van een matroos niet gewild was. Het werk was zwaar. De kapitein of de schipper was de hoogste in rang aan boord en had de leiding op het schip.

Na de  opkoop van Afrikaanse gevangenen  vaarden de schepen meestal verder met Afrikaanse matrozen aan boord.  De kapiteins waren genoodzaakt deze in “dienst” te nemen door sterfte en desertie van matrozen. Er moest immers een minimum aantal matrozen aan boord zijn om op een redelijke en veilige manier de oversteek naar de Amerika’s te kunnen maken. Gevangenen werden dan ingezet om de plekken van de weggevallen matrozen op te vangen. De boeien van de gevangenen  werden dan verwijderd zodat zij de nodige taken konden uitvoeren.

Op een slavenschip waren er ook bomba’s. Dit waren ‘vrije’ Afrikanen die werden ingezet om toezicht te houden op de gevangenen tijdens de overtocht naar Amerika’s. Zij moesten communiceren met de gevangenen. Zij functioneerde niet alleen als tolken, maar ook als makelaars van of tussenpersonen tussen de Europese en Afrikaanse handelaren. In het filmpje een fragment uit het college waar Balai het heeft over de werving van de bemanning:

De slavenhandel zou niet mogelijk zijn geweest zonder medewerking van Afrikanen. Verschillende tussenpersonen waren betrokken bij de handel in gevangenen. Het ronselen van de gevangenen  gebeurde meestal tijdens binnenlandse oorlogen. Soms was er zelfs sprake van mensenroof. “Makelaars”of “caboceers” verkochten de gevangenen aan de Europeanen. De gevangenen werden door  kanovaarders, gespecialiseerd in de transport van mensen en goederen, aan boord gebracht.

Advertisements